Deze blog houd ik voorlopig niet bij. Maar ja, zo’n oude website behoudt toch een boel Google Juice – hij blijft bovenaan staan. Wie op m’n naam Google’t zou eigenlijk hier moeten uitkomen: Jaap Stronks op johnnywonder.nl.
Malcolm Gladwell serveerde sociale media af: met Twitteren in je pyama verander je de wereld niet – daarvoor is echte betrokkenheid en inzet nodig, stelde hij zo’n beetje; boe weak ties, hoera strong ties. De kritiek op zijn artikel luidde, schrijft ook Ernst-Jan Pfauth: zwakke schakels zijn ook heus belangrijk, kijk maar naar de mobiliserende kracht van Twitter.
Het belangrijkste punt wordt gemist. Sociale media zijn onderdeel van een infrastructuur die bij uitstek *gradaties* van betrokkenheid mogelijk maakt. En die mobiliteit tussen die gradaties faciliteert.
Het is de kwaliteitsdiscussie over blogs (iedereen schrijft over zijn kat) en relevantiediscussie over Twitter (iedereen schrijft wat-ie gegeten heeft) all over again.
Mensen waren niet gewend aan overvloed, omdat ze er niet aan konden worden blootgesteld; schaarse kwaliteit moest door anderen achter gesloten deuren worden geproduceerd. Dat geldt niet alleen voor kwaliteitsjournalistiek, maar ook voor gemobiliseerde maatschappelijke betrokkenheid in de vorm van politieke partijen, goede doelen en protestorganisaties.
In de netwerksamenleving wordt een ander organisatiemodel geïntroduceerd, waarin complexiteit in het openbaar moet worden gecreëerd. Dat is even schrikken. Want 99% van het internet bestaat uit poep. Maar wat voor jou poep is, is een voedzame maaltijd voor een ander. (Dan nog blijft er gewoon veel poep.)
Maar Google vindt alleen die ene relevante website omdat-ie kan bepalen dat ontelbare andere websites dat níet zijn. Op Reddit.com staan de beste links van de dag, omdat zoveel andere mensen middelmatige of saaie links hebben gedeeld.
Wie de dynamische structuren die recht doen aan gradaties van kwaliteit miskent, ziet ontelbare stomme websites, in plaats van de juiste te vinden met een zoekmachine. Ziet kattenblogs, maar niet de léuke kattenblogs – of een blog die precies past bij zijn interessen (zoals netwerkrevolutie.nl bij de mijne). Hoort onbekenden vertellen over wat ze gegeten hebben, maar mist de op Facebook gekiekte verjaardagstaart van zijn nichtje. En die ziet mensen Twitteren over Iran, zonder in te zien dat dit een uiting is van betrokkenheid bij de situatie in een ander land, die enerzijds op zijn merites kan worden beoordeeld, maar anderzijds kan uitgroeien tot iets nog waardevollers.
De denkfout is begrijpelijk, want gegrond in een onvoldoende ontwikkeld begrip van waardecreatie in de netwerksamenleving. Daar hebben ook organisaties moeite mee (zie Alper over lidmaatschappen in de tijd van de netwerkrevolutie.)
In de kern is het echter niet ingewikkeld. Journalistieke organisaties, overheden, NGO’s, politieke partijen maar ook commerciële bedrijven zouden kunnen beginnen te proberen gradaties van betrokkenheid te faciliteren. Want wezenskenmerk van de netwerksamenleving is dat we niet langer zomaar exclusieve loyaliteiten aangaan. We worden niet zomaar levenslang abonnee, donateur, lid, werknemer of klant. Omdat we de keuze hebben – naast ons geld zijn vooral onze aandacht en onze betrokkenheid de meest schaarse goederen geworden.
Dus: bied laagdrempelige en relatief vrijblijvende manieren om aan te haken, mee te denken en steun te leveren. Maar ga vervolgens niet klagen dat mensen alleen maar hun avatar groen kleuren, nieuws gratis consumeren en muziek downloaden. Probeer de betrokkenheid op te schalen. Gebruik sociale media als communicatie-instrumenten maar ook als infrastructuur die gradaties van betrokkenheid mogelijk maakt, met oplopende intensiteit. Koppel intensievere betrokkenheid aan actieve deelname en medezeggenschap.
Want als we alleen kunnen Twitteren maar vervolgens direct worden geacht contributie te betalen en te komen opdagen voor ouderwetse demonstraties, dan mis je een paar stappen – en krijgt die Gladwell alsnog gelijk.
—
(P.S.: en oh ja, hiermee gaan we ons dus met Johnny Wonder ook bezighouden. Raak betrokken op Twitter, Facebook, of met de nieuwsbrief)
P.S.2: en steun Bits of Freedom, dat vandaag 1000 donateurs wil werven (en uitstekend gradaties van betrokkenheid mogelijk maakt!), HIER.
Zojuist mocht ik met een column het praktijkcongres Succesvol Persbeleid openen. Hieronder is de tekst terug te lezen, de video komt binnenkort ook nog online.
‘Als ik mijn klanten naar hun behoeften had gevraagd, zouden ze een sneller paard hebben besteld’, zo luidt een uitspraak van Henry Ford die vaak geciteerd maar ook veelvuldig verkeerd uitgelegd wordt. De stellingname van deze autofabrikant wordt immers nogal eens misbruikt om het belang van marktonderzoek te bagatelliseren of de grillen van eigenwijze CEO’s te legitimeren. Indien u voor uw dagelijkse woon-werkverkeer afhankelijk zou zijn van een paard, is het echter helemaal niet gek om te verlangen dat uw merrie de dagelijkse draf naar uw werkgever – of een bezoek aan Bussum bijvoorbeeld – in een wat korter tijdsbestek zou kunnen volbrengen. Lees verder »
Zo’n prachtige tenenkrommende clichézin uit werkstukken: ‘het internet is niet meer weg te denken uit de Nederlandse samenleving’. Ik bedacht me echter dat het soms handig is om fenomenen eens wél weg te denken. Vooral omdat oude ideeën ons denken beïnvloeden, en de effectiviteit ervan kunnen beïnvloeden.
Henry Ford schijnt gezegd te hebben, dat als hij mensen naar hun behoeften had gevraagd, ze een ‘sneller paard’ zouden hebben besteld. Hij ging auto’s produceren. En Marshall McLuhan introduceerde het begrip ‘horseless carriage‘, dat verwijst naar het onvermogen om nieuwe ontwikkelingen op hun merites te beoordelen; bij gebrek aan een zinnig referentiekader gebruiken we er eentje dat verouderd is – en niet even behulpzaam.
Datzelfde is aan de hand met de journalistiek. Journalistiek is een onduidelijk afgebakend containerbegrip, dat onlosmakelijk verbonden is met de rol van de massamedia in de 21e eeuw. Zoals de auto niet is uit te vinden door paarden sneller te laten lopen, is de toekomst van publieke communicatie niet uit te dokteren door de journalistiek als uitgangspunt te nemen. Een van mijn eerste artikelen als freelancer, drieënhalf jaar geleden op de Nieuwe Reporter, ging hier al over, met de wat pompeuze kop Van excellente journalistiek en nieuwe reporters. Daarbij had ik het moeten laten, of ik had het moeten doorzetten, moeten proberen de discussie over publieke communicatie in een ander frame te plaatsen, met nieuwe taal, nieuwe begrippen, een nieuw referentiekader.
Wel, beter laat dan nooit. We moeten nadenken over maatschappelijke functies die we moeten behouden of stimuleren, of ze nou door de journalistiek of op een andere wijze worden uitgevoerd. Ten tijde van Ford zou je toch ook de toekomst van personenvervoer onderzoeken? Wanneer je de journalistiek als uitgangspunt neemt, betreed je een dwaalspoor, dat op z’n best de journalistieke status helpt, maar waarschijnlijker contraproductief werkt. Veel concrete maatregelen zijn innovatieremmend, doordat geld, energie en talent verkeerd besteed wordt (Plasterkjournalisten), of door de marktverstorende invloed van oudemedia-organisaties (die met hun shovelware – doorgeplaatste papieren content – het de NU.nl’s van deze wereld moeilijk maken en de opkomst van de linkeconomie vertragen). Alsof je paardenkoetsen zou subsidiëren, terwijl je stoplichten moet bouwen en rijbewijzen moet invoeren.
En als je toch wil nadenken over de toekomst van de journalistiek (ik meld me alvast af): besef dan dat het begrip ‘journalistiek’ een normatief, ideologisch construct is, en tientallen achterhaalde veronderstellingen over publieke communicatie in zich draagt, over distributie, de rol van en relatie met de gebruiker, de professionele status, de relatie tot voorlichters en organisaties, enzovoort. Beter maar niet aan beginnen – zeker niet wanneer het je niet om de beroepsgroep of mediasector te doen is, maar om de toekomst van publieke communicatie, het publieke debat, het gemeenschappelijk belang.
Daarom mijn pleidooi: “Durf ‘journalistiek’ en media’ eens lekker helemaal weg te denken’. Lees het op De Nieuwe Reporter.
Mooi idee van Willem Dudok (met wie ik recent Johnny Wonder | Bureau voor Publieke Interactie ben begonnen): de Tweetsignering, hier van het boek Ego Faber door @mauriceseleky. Zie foto en de Twitter-conversatie, die vertellen het verhaal.
Vond Ego Faber @ AKO 020CS van @mauriceseleky. Het Vals Licht vd netwerkgeneratie, begreep ik. http://plixi.com/p/45109744
@MauriceSeleky: Kun je ‘m niet signeren met een tweet, opdat @jaapstronks die morgen uit kan printen & in kan plakken? #egofaber #idee :)
@jaapstronks @WillemDudok Ok, persoonlijke opdracht komt in volgende tweet!
Amsterdam, 15 september 2010. Voor Jaap, een groot campagnestrateeg en netwerker pur sang. Heel veel plezier met Ego Faber! Maurice Seleky
Nu baal ik een beetje van mijn ordinaire 1.0-krabbel in @dutchproblogger‘s Sex, blogs & Rock ‘n Roll, @mauriceseleky. ;) #tweetsignering
@WillemDudok Als jij Ego Faber ergens op de kop tikt, dan krijg je ook een mooie #tweetsignering hoor, Willem :)!
23 aug
Wat gebeurt er wanneer je je oma’s (in dit geval 78 en 80 jaar oud) je iPad in handen geeft? Ik nam de proef op de som, met bijgaande video als resultaat, starring Oma Stronks en Oma Van Hilten. Geschoten met de iPhone 4. Geheel terzijde (er komt nog een blogpost aan): binnenkort wordt Johnny Wonder, Bureau voor Publieke Interactie gelanceerd, schrijf je vast in voor de nieuwsbrief op JohnnyWonder.nl.
Wilde ik toch even uitproberen: FaceTime, videobellen op de iPhone 4. Alexander Klöpping is de tech-expert bij uitstek om te bellen – trouwens ook omdat ik van hem tenminste wist dat-ie de nieuwste iPhone zou hebben. Toine Donk is er ook bij. Omdat ik na m’n lange vakantie nog wel een blogpostje met video wilde bakken, hierbij een (in stukjes gemonteerd) videootje van het gesprek. Alexanders eigen eerste FaceTime-video komt ook nog even langs, die staat trouwens hier.