21 jun
Gisteren een presentatie gehouden tijdens het congres Crossmedia Journalism 2006. Leuke mensen ontmoet, goede gesprekken gehad. Over de vorm: presentereren is een vak apart. Dit was mijn eerste presentatie en technisch gezien was hij niet goed. Te veel slides met te veel tekst, bijvoorbeeld; en te quasi-intellectualistisch om me wat geruggesteund te voelen door een stapeltje wetenschappelijke literatuur, wat helemaal niet nodig is en alleen maar onduidelijkheid creëert. En natuurlijk raakte ik een paar keer de draad kwijt, enzo. Het is nog op video opgenomen ook (nog niet online), dus als je wil lachen dan kan dat. Ik heb er in elk geval van geleerd, en de volgende keer doe ik het anders.
Over de inhoud van mijn presentatie: met behulp van twee definities uit een stuk van Mark Deuze geef ik aan dat er twee opvattingen van Crossmedia door elkaar worden gebruikt: het idee van Digital Storytelling waarbij verschillende vehikels (audio, video, tekst, etc) worden geïntegreerd binnen één applicatie, en de bedrijfsmatige processen die erop zijn gericht om efficiëntere journalistiek te realiseren doordat journalisten zowel een stuk kunnen schrijven als een video kunnen maken over eenzelfde onderwerpen, of dat eenzelfde nieuwsitem door collega’s van een ander medium opnieuw kan worden gebruikt.
Nieuws is een commodity
De aannames achter het crossmedia-denken kloppen volgens mij niet. Nieuws wordt beschouwd als een product dat met een mooie strik erom wordt verkocht aan een ontvangend publiek. Interactiviteit, voor zover van belang geacht, wordt gereduceerd tot het mogen reageren op reeds voltooide nieuwsberichten. Het crossmedia-denken is een versterking van het idee dat de journalistiek een verticale relatie onderhoudt met een publiek.
De realiteit is dat er een publieke sfeer is ontstaan op internet, in forums, op weblogs, in sociale netwerken, waarin nieuws voortdurend wordt gefilterd en opnieuw geïnterpreteerd volgens eigen referentiekaders en morele wetten (zie Geenstijl), onderwerp van discussie is, en waar schrijvers van berichten nauwelijks een hogere status genieten dan degenen die als lezers kunnen worden gezien.
De Volkskrant, het dagblad dat voor haar nieuwe internetsite heeft gekozen voor een crossmediale strategie waarbij met name wordt ingezet op breaking news zonder reactiemogelijkheid in combinatie met korte nieuwsvideo’s, heeft volgens mij dan ook niet de juiste weg ingeslagen. De strategie is: de nummer 1 nieuwssite worden. De concurrentie aangaan met NU.nl. Maar Paul Molenaar, CEO van Ilse Media, wees er gisteren in zijn eigen presentatie terecht op dat nieuws een commodity is geworden, een begrip dat ikzelf vertaalde als een verhandelbaar goed. In een open markt wordt dat goed geleverd door de goedkoopst producerende leverancier. En dat zal NU.nl zijn, of het ANP zelf. De Volkskrant kan het misschien zijn, maar zout het niet moeten willen zijn. Als u begrijpt wat ik bedoel.
Neutrale toon
Ik betoogde dat een van de gevaren van crossmediaal denken is dat journalistiek als mediumonafhankelijk wordt beschouwd. Als een verhaal dat in een willekeurig afleveringssysteem kan worden geduwd. Maar zelfs de toon en stijl van nieuwsberichten is onlosmakelijk verbonden met de papieren krant. Ik heb dat gisteren niet goed uitgelegd. Een anekdote die ik had kunnen vertellen is het onderzoek dat een wetenschapper pleegde naar het krantenlandschap in de Amerikaanse stad Bosten in 1800 of 1850 ofzo. Er waren wel een stuk of 15 kranten, volgeschreven door individuen. De conclusie: eht waren net weblogs. Scherpe, opiniërende verhalen vanuit een persoonlijk perspectief.
Vervolgens had ik een eigen inzicht kunnen toevoegen dat ik naar aanleiding van dit verhaal al eens ergens heb opgeschreven, en dat ik ook Mark Deuze al eens heb horen zeggen: dat de objectieve, afstandelijke, neutrale toon die we gewend zijn van krantenartikelen is ontwikkeld in situaties waarin kranten weinig concurrentie hebben en zich om economische redenen moeten richten op een groot deel van de bevolking. Die neutrale toon is de enige manier om het nieuws te presenteren zonder dat die een belangrijk deel van je potentiële afzetmarkt tegen de borst stuit.
Hyves
Maar op internet is juist sprake van een enorme diversiteit. Het is niet voor niks dat weblogs niet schrijven in de stijl van een krant: het internet is een heleboel communicerende mensen bij elkaar. Het publieke debat is ook veel rijker als je je in alle toonaarden kunt uiten, en mensen doen dat ook. Mensen bouwen culturele omgevingen waarin zij met hun eigen taal kunnen spreken, waar eigen subtiele culturele codes gelden. Natuurlijk is het dan nuttig dat je kunt verwijzen naar een neutraal krantenbericht – aan het ANP zal nog wel even behoefte blijven – maar het zou zonde zijn als de kwaliteitsjournalistiek zichzelf zou beperken tot het aanleveren van neutraal nieuws, waar vervolgens over wordt gesproken in sociale netwerken. Want in die sociale netwerken zit waarde, niet in de nieuwsberichten zelf. Met breaking news ga je het niet redden. Want nieuws is gratis.
Kunnen kranten die netwerken niet zelf oprichten? Ja, dat zouden ze kunnen, maar ze hebben er moeite mee. Ze hebben moeite om macht en controle uit handen te geven, gewend als ze zijn aan de rol van poortwachter. Maar de menselijke activiteit op internet is zich aan het concentreren op plaatsen waar zij zelf controle en macht hebben, waar de stroming van content niet centraal wordt gereguleerd (PCM of Wegener hadden Hyves.nl moeten kopen op een moment dat de makers met een bod van ettelijke miljoenen nog orenklapperend overstag zouden zijn gegaan. Dat gaat nu niet meer lukken).
Niet alleen uit economisch oogpunt moeten kranten zich beter inbedden in de horizontale netwerkstructuur van internet. Het is ook noodzakelijk om de journalistiek te verbeteren. Er zit ontzaglijk veel kennis besloten in de hoofden van het publiek. Die kennis wordt nog nauwelijks gebruikt in het journalistieke proces. Interactiviteit wordt, zoals gezegd, gereduceerd tot reactiviteit.
Terug naar Crossmedia
Goed, het ging natuurlijk over Crossmedia. Waarom dan beginnen over die social communities enzo? Wel, het is niet voor niets dat kranten zich maar niet op natuurlijke wijze lijken te kunnen ontwikkelen tot journalistieke culturen die passen bij het internet. Ik citeerde de wetenschapper Boczkowski, die concludeerde dat journalistieke organisaties de nieuwemedia-mores wel zouden willen omhelzen, maar het simpelweg niet kunnen, omdat dit de verloochening van fundamentele journalistieke principes zou betekenen.
Met andere woorden: journalistiek is te zeer een kind van de twintigste eeuw, en niet van de eenentwintigste. Volgens mij moet je dan nog veel radicaler dan je tot op heden hebt gedaan, je werkwijze, functie in de maatschappij en professionele identiteit tegen het licht houden. De innovatiefilosofie die ‘crossmedia’ heet is fundamenteel foutief, en behoeft grondige aanpassing.
Geef een reactie
6 reacties op "Presentatie @ Crossmedia Journalism 2006"
Hoi Jaap – helaas kon ik er niet bij zijn in Utrecht (zat nog op de ICA in Dresden), maar wat ik uit de reacties kan opmaken blijkt dat het inspirerend was.
Voor wat het waard is: de invulling van convergentie door ’20ste eeuwse massamedia’ – dwz digital storytelling, backpackjournalistiek of meermediaredactiewerk – blijft inderdaad in de kern uitgaan van een zeer klassiek en solide visie op de rol van de journalistiek als beroep: “wij bepalen wat en hoe U moet weten.” Zeker, dat lijkt niet erg aan te sluiten op de sterk geindividualiseerde en genetwerkte manier van communiceren online.
Maar…
Ik denk dat we niet de fout moeten maken te veronderstellen dat het ene model langzaam of snel over zal (moeten) gaan in een ander model. Sterker nog, de verschillende modellen en visies van journalistiek zullen steeds meer convergeren EN divergeren, juist omdat er zowel steeds meer als steeds minder mediaruimte vrijkomt voor publieke communicatie.
Met die zooi, die chaos, ofwel met dit model van permanente verandering zal de journalistiek iets moeten – of het nu mono- of meermediaal is (ik zag in het congresverslag dat alle nieuwsmedia convergentie vooral zagen in termen van verdienmodellen… treurig).
Overigens is het wel eens tijd dat we meer studenten en vooral meer vrouwen te horen krijgen in dit debat.
Mocht je ooit tijd en zin hebben: ik nodig je graag uit om in het kader van je onderzoek op bezoek te komen bij mijn universiteit(en): Leiden en Indiana!
Groet, Mark.
Je pleidooi voor een perspectief van permanente verandering is natuurlijk zeer zinnig. Ter verduidelijking: ik heb het nergens over een paradigmawisseling, of dat model A model B zou vervangen. Daarnaast denk ik dat er een nadeel zit aan het benadrukken van het idee dat het allemaal chaos is, dat de bestaande modellen zijn geëxplodeerd en dat de nieuwe zich nog niet aandienen, dus wen vooral aan de chaos en de constante verandering – dat lijkt al snel een vergoeilijking in te houden van de halfslachtige pogingen van krantenorganisaties om te innoveren, terwijl daarbij gewoon grove fouten worden gemaakt. De toekomst is mistig, maar met tien meter zicht kun je met goed sturen een boel blikschade vermijden, zeg maar.
Meer vrouwen, studenten, vrouwelijke studenten erbij betrekken: ik ben vóór. Meer allochtonen ook, while we’re at it. En die uitnodiging grijp ik graag aan. Indiana zit er dan niet zo snel in, of we moeten daarvoor een reden bedenken die de inzet van universitaire potjes rechtvaardigt, Leiden moet in elk geval nog te doen zijn. Daar mailen we nog wel over!
Goed dat je niet aanneemt dat de journalistiek van model A naar B aan het gaan is, maar dan kan het bestaande crossmediadenken (wat ik in dat stukje uit 2003/4 probeerde te overzien) ook niet ‘fout’ zijn – het is een expressie van een in vele opzichten vastgeroeste manier van denken en doen – een poging tot herplanting van een ontwortelde werkwijze in een nieuwe media omgeving. Dat dit niet werkt, of hooguit op de korte (5-10 jaar) termijn werkt, is duidelijk – maar veel uitgevers en andere mediabedrijven kunnen niet anders.
Ik denk dat wat de journalistiek juist nodig heeft veranderingsdenken is – het lijkt me de meest realistische en tegelijkertijd reflexieve houding. Op dit moment worden allerlei innovaties ingevoerd waarbij gaandeweg de innovatieve randjes er vanafgeschaafd worden – typisch een voorbeeld van “laten we de baby niet met het badwater weggooien”-denken. Die baby – het Nieuws – is al lang verdwenen (zoals je in je verhaal ook terecht opmerkt), dus dat water moet continue ververst.
Hm, daar heb je me wel te pakken in je eerste alinea. Je hebt per definitie gelijk, je betracht meer academische distantie, waarmee elke ontwikkeling zijn eigen bestaansrecht en logica heeft. Het is vooral een verschil in oriëntaties: ik neem vervolgens lukraak stelling vóór of tegen idee A of ontwikkeling B. Maar doe jij dat niet ook door voor meer veranderingsdenken te pleiten? In feite zeg ik ook niet veel meer dan dat de houding bij veranderende dagbladen nog wel een tandje reflexiever kan, dat de eigen dogma’s en gebruiken nog wel wat kritischer tegen het licht kunnen worden gehouden om beter opgewassen te zijn tegen verandering.
Wat ik bedoel met ‘veranderingsdenken’ is – en ik geef volmondig toe dat dit een academisch betoog is – m.i. een grote sprong verwijderd van het administratieve innovatiedenken dat in de meeste sociale systemen en dus ook in de journalistiek uitgangspunt is. Als ik me in academische zin mag beroepen op Foucault in diens door de VPRO ooit uitgezonden debat met Chomsky, zou ik opmerken dat een bepaald systeem willen veranderen met het behoud van de terminologie en structuren van het bestaande, je er dan in feite NIET aan ontkomt datzelfde systeem min of meer te reproduceren.
Als je als journalist of als nieuwsmedium daadwerkelijk nieuwe vormen van journalistiek en vooral een nieuw bestaansrecht (!) voor het vak/beroep wilt ontwikkelen, zal je juist aan de fundamenten van het vak moeten tornen, sterker nog: ze in feite negeren en opnieuw beginnen.
Dat laatste is in mijn optiek een heus veranderingsdenken – nooit gericht op het vinden van nieuwe (valse) zekerheden of verdienmodellen, maar altijd aannemend dat welke aanpak je nu ook voorstaat, deze nimmer of nooit garanties of formules zal opleveren voor de situatie die er op volgt.
Ik zeg overigens niet dat dit ‘beter’ is dan een meer routinematige of institutionele vorm van journalistiek – maar ik denk toch dat zo’n manier van werken meer aansluit bij de alledaagse werkelijkheid.
Tot slot – en mijn excuses voor de lange post – wil dit alles niet zeggen dat de huidige journalistiek niet innoveert of slecht werk levert! Het blijft, wellicht noodgedwongen, echter wel allemaal binnen bekende en bestaande kaders – en daarmee reproduceert het zichzelf zonder echt te ontsnappen aan de trends die de journalistiek overbodig maken…
Helemaal mee eens. En Foucault citeren is natuurlijk volledig toegestaan – heb ik zelfs ook gedaan in mijn presentatie, in mijn bespreking van de ‘nieuwstaal’. Foucault zegt dat die nieuwstaal, die typische, eigenlijk heel kunstmatige krantentaal, een discours is, een geinstitutionaliseerde vorm van ‘weten’ is in de moderne maatschappij. Dat discours is binnen de structuren in welke hij tot wasdom is gekomen heel effectief, maar er kan niet alles mee gezegd worden. Wanneer gebruikt binnen andere omgevingen, zoals op het internet, is dat discours volgens mij vleugellam, en ontleent het zijn symbolische waarde en air van betrouwbaarheid volgens mij aan onze bekendheid ermee uit andere structuren (de papieren krant, ook: het tv-journaal). Maar da’s mijn eigen bedenkseltje ;-)
Het sluit ook aan bij wat ik wilde zeggen in een eerder stuk voor DNR:
Je moet ingelogd zijn om te mogen reageren.