Bert Brussen is bang dat een nieuwe journalistieke code (waar ik eerder over schreef) leidt tot misbruik. Die angst is onnodig. Trekken journalisten zich nu al weinig van bestaande codes aan, nieuwe journalisten en serieuze webloggers hebben er al helemaal weinig mee op. Er is geen enkel draagvlak voor. Om Annoesjka van Geen Commentaar aan te halen: ik houd me alleen aan mijn inlogcode.
Nogmaals mijn standpunt: de functie van een code is het markeren van de grenzen van een professionele beroepsgroep, de bestendiging van het idee dat het een bijzondere professie is waarvan de leden op grond van hun opleiding, kennis, expertise en functie een speciale maatschappelijke status verdienen. Daarnaast heeft het mogelijk de werking van een keurmerk: het is een Journalist die dit schreef, eentje die de Code onderschrijft, dus het zit wel snor!
De journalistiek heeft echter te maken met deprofessionalisering: de toch al niet bijster scherp getrokken grenzen van de journalistiek worden nog verder opgerekt. Een code is niet in staat recht te doen aan de gediversifieerde, gedeïnstitutionaliseerde en deels gedeprofessionaliseerde publieke sfeer zoals die op internet ontstaat. We hebben mechanismen nodig die in die nieuwe publieke sfeer betrouwbaarheid en relevantie produceren. Dat kan niet met een code die niets anders is dan een poging een scheidslijn te trekken tussen professionals en amateurs, tussen journalisten en burgers, tussen betrouwbare media en onbetrouwbare overigen. Die scheiding is een fictie, en elke poging tot instandhouding ervan is contraproductief.
Er wordt wel eens opgemerkt dat het in elk geval goed is dat erover wordt gedebatteerd. Ik ben daar niet zo zeker van; zolang er een code is die verdedigd moet worden omdat hij al is geschreven vóórdat er debat over wordt georganiseerd (als de code er komt, zorg dan dat die aanpak wordt afgekeurd!), blijft de discussie draaien om de vraag of die code nou goed is of niet. Over alternatieve methoden om de kwaliteit van het publieke debat en de journalistiek te verbeteren, wordt niet gesproken tot die code wordt afgeserveerd of wordt aangenomen om er vervolgens weinig meer van te vernemen. De code leidt niet tot misbruik, maar vertraagt wel het publieke debat over de kwaliteit en betrouwbaarheid van de journalistiek.



Nederlands
Jaap, hoe hard ik het ook ontken, jij en anderen blijven in de conceptcode van het Genootschap een stiekeme poging zien een hek rond de professionele beroepsgroep te zetten. Het markeren van grenzen, noem je dat dan. Maar de code doet dat juist niet, integendeel. Het is niet meer of minder dan een stel ethische uitgangspunten voor wat we journalistiek noemen. Niet voor de beroepsgroep van journalisten, noch voor een individuele journalist, laat staan voor een journalistiek medium – maar voor een journalistieke daad. Van wie of wat die daad is, doet er inderdaad steeds minder toe – daarin heb je groot gelijk.
Het Genootschap is met deze conceptcode gekomen om de discussie op gang te brengen. Dat is nu eenmaal de rol van zo’n club. Of denk je dat een ethische discussie door pakweg Bert Brussen op gang was gebracht?
Henk, dank voor je reactie.
Ik bestrijd de intenties van jou en het Genootschap ook niet. Wel zie ik me dat ik me niet goed heb uitgedrukt, als ik het een ‘poging’ noem die grens te markeren. Mijn punt is: hoe je het inhoudelijk ook uitwerkt – het formuleren van “een stel ethische uitgangspunten voor wat we journalistiek noemen”, en dat een journalistieke code noemen, IS domweg niets anders dan het zetten van een een hek rond een beroepsgroep. Dat is inherent aan een code. Erbij zeggen dat die journalistieke daden ook door niet-journalisten kunnen worden begaan doet daar niks aan af. Je kunt de code niet half onderschrijven, of alleen voor de ene daad en niet voor de volgende. Een code is en blijft een versterking van de scheiding tussen journalisten en niet-journalisten, tussen betrouwbaar en niet-betrouwbaar, tussen professionals en amateurs. Dus nogmaals, er is niks mis met de intenties, maar het middel deugt niet.
Verder kun je zeggen wat je wilt over Bert Brussen, maar als er iemand is die steeds weer de discussie zoekt over redactionele vrijheid is hij het wel…
Jaap, het probleem zit m in de term “code”, zoveel is me wel duidelijk. Toen de Leidraad van de RvdJ werd gepubliceerd, bleek uit onderzoek van Alexander Pleijter al dat journalisten het goed vinden dat er ethische regels zijn, zolang die maar geen code heten. Vandaar de term Leidraad.
Journalisten vinden ethiek in de eerste en – meestal – laatste plaats een persoonlijke verantwoordelijkheid. Elke suggestie van een gedeelde ethiek neigt naar afbakening van een groep. De beroepsgroep ziet dat als een bedreiging, omdat je maar nooit weet welke regels de overheid dan gaat stellen. En de “nieuwe journalisten” zien dat, zie jouw betoog, als een de facto poging van de oide journalistiek zichzelf te beschermen tegen nieuwe concurrentie.
Zo begrijp ik jouw betoog nu, en dat van collega-journalisten die me van de week in Amsterdam lieten weten weinig te zien in die code.
Dat we in het Genootschap toch over een code praten, komt omdat er nu eenmaal al een code bestaat, de stuk uit 1995. Je kunt drie dingen doen: dat stuk moderniseren, het in de prullenbak gooien, of zoveel mogelijk verzwijgen dat het bestaat.
Dat laatste stuit me tegen de borst. Juist in tijden van internet, vind ik, moet je open en transparant zijn. Blijven de eerste twee opties over. En dan geloof ik dat het Genootschap – ook al is het in de ogen van de internetgeneratie een tikje archaisch gezelschap – een taak en publieke verantwoordelijkheid heeft. Waar de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting bestaat, moet ook iets van reflectie bestaan, iets dat op accountability lijkt.
Ik kies daarom voor modernisering van de code. Niet omdat ik de illusie heb dat de hele beroepsgroep zich achter die code opstelt, laat staan dat de “nieuwe journalisten” dat doen. Wel omdat ik hoop dat het Genootschap van Hoofdredacteuren zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus blijft nemen. En dat doe je niet met een code die onbruikbaar is geworden omdat het woord internet er niet in voor komt.
Jij stelt dat de code als middel niet deugt. Maar je vergist je in het doel waarvoor de code een middel is. Met de code streeft het Genootschap een ander doel na dan je denkt.
Dat is overigens niet alleen jouw probleem, maar vooral het mijne. Kennelijk slaag ik er onvoldoende in uit te leggen wat we beogen met die code, en waarop die code desalniettemin een code wordt genoemd.
@Henk: dank voor je uitgebreide reacties. Ik begrijp dat het Genootschap een code gebruikt en die niet zomaar overboord wil of kan gooien, en dat die modernisering behoeft.
Toch vraag ik me af of ik het doel inderdaad verkeerd begrijp. Uit je begeleidend schrijven bij de verschijning van de conceptcode: “Doel van de code is en blijft een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van journalistieke producten en gedragingen in Nederland.” Die doelstelling snap ik heel goed, al vat ik hem zelf wat breder op en heb ik het over verbetering van de kwaliteit van het publieke debat en betrouwbare nieuws- en informatieproductie, ofzo – puur omdat de term ‘journalistiek’ ook al te zeer verbonden is aan instituties en een bestaande beroepsgroep.
Ik denk dus niet dat ik je verkeerd begrijp; wel is er wellicht alsnog een verschil tussen hoe ik het wezen van de code uitleg en hoe deze volgens jou bedoeld is. Ik denk dat intenties en doelstellingen van zulke initiatieven niet zo heel relevant zijn (waarbij ik niet de illusie heb dat mijn interpretatie nu zo belangrijk is; ik probeer alleen een inschatting te geven van de maatschappelijke betekenis van zo’n code).
Wel vraag ik me af en toe af of ik het belang van webloggers en ‘gewone mensen’ die zich in het publieke debat begeven niet te hoog inschat. Zoiets zou Francisco van Jole bijvoorbeeld zeggen (dit bedoel ik niet geringschattend). Na even nadenken denk ik dan: nee, ik denk het toch niet.
Jaap, twee dingen: 1. Mijn punt is dat de code geen dwangbuis is, geen keurslijf, en dat er ook geen tuchtrecht aan vast zit waarmee journalisten worden toegelaten of uitgesloten van de journalistiek. Dat is al heel lang niet meer zo, en mag niet meer zo zijn. Wie denkt dat de code knelt, vergist zich dus. 2. Ik begrijp je laatste alinea niet. Bedoel je dat je de inbreng (er staat “belang”) van gewone mensen misschien te laag inschat? Dat FvJ zoiets zou doen? En dat je dat bij nader inzien toch niet doet? In dat geval: prima.
ad 1: klopt, maar ik denk dat je er niet aan ontkomt dat een code toch als een soort keurslijf gezien wordt. Van een code is toch de bedoeling dat het als impliciete universele kwaliteitsstandaard fungeert? Als los/vaste richtlijnen die richtinggevend zijn voor het handelen van een beroepsgroep (met, vooruit, webloggers die willen meedoen er ook bij)? Behalve het argument dat de code/leidraad niet zo bedoeld zou zijn, zie ik geen argumenten die weerleggen dat zo’n code uiteindelijk die werking heeft, mits geadopteerd. Hetzelfde laken ‘n pak met de RvdJ, die een code heeft gedestilleerd uit de eigen uitspraken. Dat is dan geen dictaat, universele code of dwangbuis – maar is het dan zo raar dat een setje regels van een club die zich de autoriteit aanmeet om geformaliseerde uitspraken te doen over journalistieke gedragingen, wel als zodanig wordt opgevat?
ad 2: ik bedoelde inderdaad: of ik de inbreng van ‘mensen’ (‘amateurs’) in de publieke sfeer niet te hoog inschat, en dat ik dat volgens mij niet doe (en dat die inbreng dus wel degelijk van dusdanig belang is dat ik mede op basis daarvan het initiatief van de code bekritiseer).
Ik zal de betekenis van de code niet wegrelativeren. Dat gaat het kind met het badwater. Natuurlijk is het een standaard, om precies te zijn is het de standaard van het Genootschap van Hoofdredacteuren: het is waar zij aan gehouden willen worden, het is hun norm, hun ethisch kader.
Universeel is dat niet. Er zijn andere codes, in het buitenland bijvoorbeeld, of bij specifieke mediabedrijven. Er zijn ook stilzwijgende codes (journalisten weten meestal heel goed dat ze fair en onafhankelijk etc willen zijn). En er is de wet als onderliggend kader.
Al die dingen kunnen uitstekend naast elkaar bestaan; sterker: dat doen ze al. Ik snap maar niet waarom jij bang bent dat de NGH-code de werking van een keurslijf zal hebben. Omdat het als vanzelf zo wordt opgevat? Getuigt dat niet van wat weinig vertrouwen in het publieke debat?
Ik denk juist dat de mondige burger en de bij uitstek mondige blogger wel beter weet dan dat-ie een stel ethische regels aanziet voor als de enige en hoogste waarheid en een onontkoombare dwangbuis. Heb nou wat meer vertrouwen in de 2.0-burger.