Vervolg: over de toekomst van journalistiek onderwijs, en hoe internet journalistieke kernwaarden verandert

Eergisteren schreef ik het artikel ‘Over de toekomst van journalistiek onderwijs‘, waarin ik constateer dat elke mogelijke verbetering begint met pakweg een verviervoudiging van de aandacht voor onlinejournalistiek. Wiel Schmets, directeur van de Fontys Hogeschool Journalistiek (FHJ) in Tilburg, reageerde op Twitter dat de “aandacht zal toch vooral uit blijven gaan naar kernwaarden in journalistiek handelen en vaardig toepassing in mediavarianten”.

Daarop antwoord ik (1, 2, 3) dat juist in die optiek internet gewoonlijk als een afzetkanaal van journalistieke producten wordt beschouwd (en als bron, trouwens), en de journalistiek zelf als universeel geldig – terwijl, indachtig het eeuwige ‘the medium is the message’ van Marshall Mcluhan, het medium geen neutraal verpakkingsmateriaal is maar zowel de betekens van de boodschap als de relaties tussen deelnemers aan het communicatieproces mede vormgeeft.

Dat geldt in het bijzonder voor internet, dat immers geen ‘medium’ of ‘kanaal’ is maar een faciliterend netwerk waarin omgevingen worden geschapen waarin men met elkaar kan communiceren. Zoals mensen als Doc Searls al hebben gezegd: ‘The Net isn’t a medium. It’s a place‘. Het is een omgeving waarin nieuwe wetten en regels ontstaan, welke voornamelijk voortvloeien uit de belangrijkste karakteristieken van internet, zoals daar zijn (even uit de losse pols en het blote hoofd)”

– de overvloedigheid van informatie;
– het genetwerkte karakter van het medialandschap;
– de afwezige toegangsdrempel tot de publieke sfeer (en de hieruit volgende deïnstitutionalisering en informalisering van publieke communicatie);
– de participatie van burgers en maatschappelijke organisaties in het maatschappelijk debat;
– de verdwenen logica van bestaande mediamodaliteiten die uitsluitend auditief, audiovisueel of tekstueel zijn;
– de ijzeren wet van de linkeconomie, die openheid beloont en verdienmodellen gebaseerd op monopolisering van schaarse content onmogelijk maakt;

Journalistiek als proces

Om duidelijk te maken hoe de geheel nieuwe medialogica van internetcommunicatie bestaande ‘journalistieke kernwaarden’ beïnvloeden, vroeg ik Wiel Schmetz mij er eentje te noemen, waarop hij er drie opsomde: accuratesse, verificatie en transparantie.

Wel. Nu krijg ik meer op mijn bordje dan waarom ik had gevraagd, en dat is prima, al zal ik niet in zijn volledigheid kunnen ingaan op de wijzen waarop deze kernwaarden van karakter veranderen. Maar om een schot voor de boeg te doen: neem eens in aanmerking wat Jeff Jarvis ‘process journalism’ noemt, gecombineerd met de notie van (opnieuw) Dan Gillmor dat het publiek altijd meer weet dan de journalist. Om accurate verhalen te construeren, waarbij feiten worden geverifieerd, is het zaak om op nieuwe wijzen transparant te operen. Jarvis’ artikel beschrijft de culturele strijd tussen de journalist die kant-en-klare verhalen aflevert en de neiging van bloggers om zogenaamde ‘half-baked’ verhalen af te leveren een ‘truth-be-damned approach; noemt en het vergelijkt met ‘yellow journalism’. Jarvis bestrijdt deze negatieve lezing:

[W]e say we teach what we call the eternal verities of journalism. But I also try to make sure the students are open to new worldviews and new methods and means of journalism.

Zie? Precies hetzelfde onderwerp als wat hier op tafel ligt. Hij vervolgt met een beschrijving van mogelijke nieuwe werkwijzen:

When we put up “half-baked posts” we are saying to our public: Here’s what we know, here’s what we don’t know, what do you know. I believe it is critical to clearly label that, giving caveats and context. [...] In short: We who publish must learn how to say what we don’t know at least as well as we say what we know.

Een dergelijke werkwijze komt in de journalistiek nauwelijks voor: alle vormen van verificatie en andere methoden om ‘accuratesse’ te betrachten vinden plaats in het journalistieke productieproces, vóór publicatie, waarna het journalistieke product wordt getransporteerd via een medium naar keuze en de journalist iets anders gaat doen. Jarvis ontmaskert dit als een gevolg van een specifieke productiemethode:

It is the byproduct of the means and requirements of mass production: If you have just one chance to put out a product and it has to serve everyone the same, you come to believe it’s perfect because it has to be.

Nog één citaat, omdat Jarvis het beter zegt dan ik zou kunnen:

Online, the story, the reporting, the knowledge are never done and never perfect. That doesn’t mean that we revel in imperfection, as is the implication of The Times’ story – that we have no standards. It just means that we do journalism differently, because we can. We have our standards, too, and they include collaboration, transparency, letting readers into the process, and trying to say what we don’t know when we publish – as caveats – rather than afterward – as corrections.

Nieuwe vormen van hoor en wederhoor

Voor het bovenstaande is nauwelijks aandacht, noch in de bestaande journalistieke beroepspraktijk, noch in het journalistiek onderwijs. Terwijl het nog veel verder gaat, natuurlijk. Wat te denken van het belang van hoor en wederhoor? Dat is immers geen doel op zich, maar een middel om een belangrijker, niet altijd even duidelijk geformuleerd doel te bereiken: zorgen dat de verschillende belanghebbende betrokken bij nieuws of een maatschappelijke discussie ‘gehoord worden’. Het is zonneklaar dat dit online dikwijls op een andere manier voor elkaar wordt gebokst, namelijk doordat deze partijen uit eigen beweging zich in een discussie mengen.

Kijk bijvoorbeeld naar vakbonden en politici, die steeds actiever worden in bloggen en Twitteren. In plaats van uitsluitend vóór publicatie een belrondje te doen, kun je ook betrokkenen de gelegenheid geven op hun eigen website van zich te laten horen, om er vervolgens naar te linken. Of in updates te reageren op deze reacties Waarbij ik uitdrukkelijk niet wil beweren dat dit de journalist van zijn plicht ontslaat om dit ook vooraf te doen – dat is afhankelijk van de context. Maar deze blogpost is natuurlijk een goed voorbeeld. Ik schrijf iets over journalistiek onderwijs, een onderwijsdirecteur reageert, en ik reageer weer op hem. Oh, en ook Arjan Dasselaar (die eveneens redacties traint en journalistiek doceerde aan de RuG en UvL), lees die reactie. Kortom: we voeren een conversatie.

Met enige moeite zijn begrippen als conversationele journalistiek, de linkeconomie en wat dies meer zij nog wel uit te leggen aan krantenredacties die hun online-berichtgeving willen professionaliseren. Vervolgens blijkt echter dat er geen tijd is voor oorspronkelijke online-verslaggeving, waarbij bovenstaande werkwijzen waarschijnlijk op een natuurlijke wijze zouden worden geïntegreerd. Hooguit kan enige tijd worden ingeruimd voor het bewerken van bestaande krantenartikelen (of tv-uitzendingen) – een link of twee, en dat is het dan wel zo’n beetje.

Dit resulteert in het feit dat websites van traditionele journalistieke organisaties vergaarbakken zijn van doorgeplaatste (‘repurposed’) content die in al zijn aspecten is doordrenkt van de wetten en regels van oude media, van verdienmodellen, verteltranten en productiesystemen tot ‘journalistieke kernwaarden’ die, in mijn opvatting, heel wat minder universele geldigheid kennen dan doorgaans wordt gedacht.

Maar ja, ik kan me de weerzin om daaraan te tornen wel voorstellen – die kernwaarden zijn de Heilige Graal van de journalistiek, een laatste toevluchtsoord voor onzekere professionals en bron van beroepstrots. Toch zou ik ze maar eens goed onder de loep nemen – en de beste plek om ermee te beginnen is misschien wel het journalistiek onderwijs.

Foto: World Bank Photo Collection, sommige rechten voorbehouden.

Reacties

  1. zegt

    mooie posts, Jaap. het debat over de toekomst van het journalistenonderwijs moet levend gehouden worden!

    Wiel’s waarden klinken een beetje als deel van de “Negen Geboden” voor een nieuwe journalistiek waar Henk Blanken en ik in PopUp voor pleitten.

    in een eerder wetenschappelijk artikel mocht ik al eens uiteenzetten wat er allemaal mis is met een discussie over journalistenonderwijs zonder dat deze start bij het fundament (waar jij en Arjan het ook al over hebben): de missie, het uitgangspunt van waarom we journalisten (willen) opleiden.

    zie voor dit alles ook eens het recent blogwerk van Seth Lewis bij het Nieman Journalism Lab bij Harvard University.

    mooie discussie!

Trackbacks